De Leugenboom

DE LEUGENBOOM (2013)

Liesbeth groeit op in een Zeeuws dorp in de jaren vijftig en zestig. Ze is de dochter van de bovenmeester. Ze moet een voorbeeldig kind zijn, want wat zouden de mensen er wel niet van zeggen als ze dat niet was? Als ze wat ouder wordt komt ze af en toe even in opstand. Heel even maar, want de starheid van haar vader belemmert haar.
Als later de zorg voor haar oude vader op haar neerkomt, loopt ze tegen dezelfde onbuigzaamheid aan. Hij dementeert en is voortdurend alles kwijt, hij wil auto blijven rijden en niet naar een bejaardenhuis.
‘Alles gaat toch goed. Ik hoor goed, ik zie goed en mijn verstand is ook nog goed.’ Liesbeth moet een uitputtende strijd voeren, niet alleen met haar vader, maar ook met het brave kind in zichzelf.

Fragment:

Zwijgend eten ze. Hij kijkt niet op of om. Weet hij nog dat zijn dochter bij hem aan tafel zit? Het grote zwijgen van haar kinderjaren hangt weer om haar heen, dringt net als toen diep naar binnen. Ze voelt weer de klem in haar borst… Waarom zegt hij niks?

‘Waar gaan we naar toe?’
‘Naar Serooskerke. Dat wilde je toch graag?’
‘Gaan we naar Serooskerke? Dat is mooi. Daar wil ik zo graag nog een keer naar toe!’
Ze rijden de tunnel in. ‘Wat een lange tunnel. En zo donker. Dat je dat durft.’
Hij moest eens weten. Ze huivert. Niets zeggen, hij verstaat haar toch niet. Hij kijkt strak voor zich uit. Licht in de verte, ‘honderd meter’, nog een keer ‘honderd meter’, let toch op de weg, niet op die getallen, een messcherpe lijn, steeds dichterbij, de zon! Wat later rijden ze de Zeelandbrug op, over eindeloos water als een glinsterende sterrenhemel bij dag. In de verte rollen de pijlers een loper uit. Ze wijst, haar stem schalt door de auto: ‘Kijk eens! Vroeger moest je hier met de boot.’
Ziet hij eigenlijk iets? Geen antwoord. Een vierkante plompe toren, die moet hij toch herkennen. Ze wijst aan: ‘Kijk, Zierikzee.’
Het blijft stil. Verder, steeds verder, zwijgend door eindeloos vlak land. Rechtsaf een dijk op, dan linksaf. Een barst in de stilte, van hem: ‘Serooskerke! Zie je dat! Daar staat Serooskerke!’
Langzaam rijdt ze het dorp in, rondt de cirkel om de kerk, zet de auto stil. Ze helpt hem uit de auto, neemt hem bij de arm. ‘Kijk, de kerk.’
‘Ja, wat een grote kerk.’
Voor zijn vroegere huis blijft ze staan, draait hem een beetje. ‘Waar heb je gewoond?’
‘Dat weet ik niet meer, hoor.’
De hitte drukt loodzwaar ,op het gras, de kerk, de huizen, zijn huis. Aan elkaar vastgeklemd lopen ze door. Wankel is hij. Niemand is buiten. Stap voor stap ronden ze de kerk, langs het huis waar ze ooit zo vriendelijk ontvangen zijn. Aanbellen? Nee, niet met hem, zoals hij nu is.
Ze stappen weer in de auto en langzaam rijdt ze hem nog een keer rond de kerk. Daarna neemt ze de afslag aan de noordwestkant, het dorp uit. Aan de grens van het dorp staat een blauw bord: Serooskerke, een paar rode strepen brutaal schuin erdoorheen.
‘Kijk eens! Daar staat Serooskerke! Daar zou ik nog wel eens naartoe willen!’ De woorden slaan als verpletterende stenen tegen haar aan.
‘Dan gaan we daarheen.’
Iets verderop keert ze, rijdt opnieuw het rondje, wijst hem de kerk, zijn vroegere huis, de bakkerij.
‘Weet je nog waar het schooltje stond?’
‘Dat stond tegen de kerk. Het is weg.’
Ze verlaat het dorp, nu aan de zuidkant. Rustig rijdt ze door, zoekt bij een rotonde welke kant ze uit zal gaan.
‘Zie je dat? Daar staat Serooskerke! Daar zou ik nog wel eens heen willen! ‘Daar ben ik al zo lang niet geweest.’
Raar is dat, het wordt al gewoon. Voor de derde keer rijdt ze rond de kerk en nog een keer en nog eens.
Hij kijkt goed om zich heen. ‘Hier ken ik niemand meer.’
Ze kiest de route via de dammen. Zijn ogen vallen dicht.