De weg naar Brandon Creek

DE WEG NAAR BRANDON CREEK (2018)

Eva laat na haar dood een koffer achter voor haar zoon met het verhaal van haar leven en haar trouwboekje. Af en toe richt ze zich direct tot hem: ‘Lees je nog? Als dat zo is heb ik niet voor niets geleefd.’ Ze wil begrijpen wat er in haar leven is gebeurd. Alleen haar naam was een vast gegeven. Maar hoe belangrijk is een naam? Ze gaf haar zoon een naam die zijn vader verafschuwde. Als ouders het over zo iets al niet eens zijn, wat zegt dat dan over een huwelijk. Heeft liefde nog iets te betekenen? Ze heeft alles op papier gezet. Voor een beter begrip van de waarheid. Of hij er iets mee doet moet hij zelf weten.

Fragmenten:

Mijn leven is een oceaan, een oceaan waarin ik waarheid zocht, en liefde, alsjeblieft, liefde.

 

Wat doe je als je je geen raad weet, als de waarheid van je leven ver te zoeken is, dan dwaal je rond, hierheen, daarheen. Rondrazen is het, met een helm op je hoofd, echt of niet echt, om niet al te zeer door vreemde projectielen bekogeld te worden. Je bent vogelvrij, je gedachten gaan alle kanten op zoals de wind om je heen alle kanten opwaait. De regen doordrenkt je en spoelt alle kwade dampen van je af tot er niets meer van je over is dan je kale zelf.

 

Ieder mens heeft een naam, een naam geeft bestaansrecht, zonder naam ben je niets. Ik gaf je de enige naam die er in mijn ogen toe doet.

 

De wind laat de takken zacht heen en weer wuiven, maar ik voel dat er meer is. De rust legt een deken om me heen en maakt dat de wind gaat liggen. Een merel hipt besluiteloos langs de bosrand. En dan zie ik hem. Hij staat verscholen. Ik zie alleen een gezicht, maar het is onmiskenbaar een jongen, iets ouder dan ik misschien. Zonder zich te verroeren staat hij daar, staart alleen maar, ziet hij me wel? Ik steek een hand op, zwaai licht, heel even is hij daar nog, dan duikt hij weg.

 

Ik had de deur op slot moeten doen. Zijn loerende blik begluurde me de laatste tijd vaker, ik schonk er geen aandacht aan, thuis mag niets gevaarlijk zijn. Er zijn dingen waar ik nog te jong voor ben, gevaarlijke grotemensendingen.

 

‘Ik heb het hier tot een paradijs gemaakt. Voor jou, zie je wel? Ik wist dat je zou komen. We zweven op de wolken, overal om ons heen zijn wolken.’

 

De paden voeren me verder, maar de eilanden staan op mijn netvlies. Er komen andere bij, die als punthoeden scherp boven het water uitsteken. Misschien horen ze bij onderwaterwezens, zoals die vis, die een eiland leek, uit het boek van Brandaan. Weer Brandaan. Geen enkel eiland verdraagt indringers.

 

De Brandaan vaart opnieuw uit, met het Keltische kruis op de vlag en de zeilen. De bemanning overleefde alles, net als ik, maar vraag niet hoe. Waarom zie ik steeds parallellen tussen die boot en mijn leven. Ik heb met die boot en zijn bemanning niets te maken. Maar het is of het oude verhaal van de monnik zich sinds Cadzand voortdurend aan me opdringt, of het sindsdien in me zit vastgebeiteld.

 

 

 

 

Bericht van Tim Severin:

Best wishes for the success of your new novel. It was interesting to learn of the connection with The Brendan Voyage… you can imagine how that project has influenced my own career as a writer and traveller.
Kind regards, Tim Severin